Een setje kleding

Mama zorgde vroeger dat ik me netjes kleedde. Ze is ijdel van aard, en ik had de gewoonte mijn meest verschoten kleding aan te doen op momenten dat het gebruikelijk was wat netter voor de dag te komen. Dus besloot mama om voor speciale gelegenheden een setje kleding op mijn bed te leggen. Meestal een nette broek plus blouse. Ze zweerde hier geen gewoonte van te maken. Ik was geen prins en zij geen bediende, zei ze dan. Maar haar ijdelheid won met speels gemak van haar opvoedkundige principes. ‘Speciale gelegenheden’ werd een rekbaar begrip: als ik naar school, de voetbaltraining of vrienden ging, lag er een setje klaar.

Toen ik op kamers ging moest ze hier noodgedwongen mee stoppen. De eerste twee dagen reed ze er nog voor naar Tilburg, maar na een goed gesprek met mijn vader stopte dat. Wel stuurde ze me dagelijks berichtjes: ‘Heb je nog genoeg mooie kleren’, ‘heb je onderbroeken of sokken nodig?’, ‘let erop dat je geen spijker op spijker draagt’. Ze kocht ongevraagd kleren voor me en stopte deze stiekem in mijn tas als ik op zondagavond weer naar Tilburg vertrok. Het was mijn moeders grootste nachtmerrie dat mensen zouden vinden dat ik er slonzig bijliep.

Maar ze kon niet anders dan erkennen dat ze geen grip meer op me had. Het navelstrengetje was doorgeknipt. Net toen ze zich had neergelegd bij de situatie, zag ze een kleine opening: ik kreeg een vriendin. En ook zij had de excessieve drang zich te bemoeien met mijn kledingdracht, merkte mijn moeder al snel op. Dat vond ze aanvankelijk wel lastig: ze verloor niet alleen de controle, ze gaf het ook uit handen. Maar mijn vriendin won haar vertrouwen. Inmiddels is het een dynamisch duo. De communicatielijnen zijn aangescherpt: mama appt mijn vriendin over mijn kleding, samen besluiten ze wat ik nodig heb en mijn vriendin regelt dat dan. De lange arm van mama is zichtbaarder dan ooit.

Toch is er paniek in de tent. Deze vrijdag is er een speciale gelegenheid: mijn diploma-uitreiking. Mama is ontzettend bang dat ik verkeerde kleren aantrek. Haar schoondochter is op vakantie, dus niemand kan me sturen. Het zweet staat al weken op mijn moeders voorhoofd. Mijn studententijd wordt afgesloten, niet met een diploma, maar met de verantwoordelijkheid dat diploma in de juiste kleding op te halen. Voor het eerst in mijn leven moet ik zelf het juiste setje op bed leggen. Als ik er maar geen gewoonte van maak.

 

Advertenties

Ik word niet snel boos

Mij krijgen ze niet snel boos. Om me heen gebeuren dingen waar een hoop mensen wel heel boos om worden. Laaiend, soms. Ik noem maar iets: het Oekraïnereferendum. Dat was ook niet netjes van Mark. Het volk om hun mening vragen en het dan aan de kant schuiven. Alsof wij, de normale mensen, te dom zijn voor politieke kwesties. Schaamteloos, vond ik het. Maar ik hield me in. Ik dacht: “Tom, je kunt nu boos worden. Je kunt gaan vloeken, met tafels en stoelen gooien, maar wat heeft het voor zin?” Dus ik liet het van me afglijden. Bleef kalm. Bewaarde de rust.

Vandaag lukte dat niet. Ik ben woest. Als ze aan de labeltjes van jongens- en meisjeskleding komen… Dan ga je bij mij echt een paar stappen te ver. Dan ga je een grens over. En zoals ik al zei, ik word niet snel boos, maar zulke rariteiten doen mijn bloed koken. Kijk, vrijheid, daar ben ik helemaal voor. Ik weet het nog goed. Ik was een jaar of vier, at een boterham met pindakaas en dacht bij mezelf: “Vrijheid. Dat is nou een mooi concept. Daar wil ik later wel iets mee. Vrijheid.” En dat gevoel is nooit weggeëbd. Maar dit is vrijheid van een andere orde. Jongetjes in jurken. Meisjes in stoere kleding. En we tolereren het. Nee, erger, we accepteren het. Nee, nog erger, we moedigen het aan. Ouders huppelen hand in hand door de stad wanneer hun zoontje een jurk aantrekt. Een ROZE jurk, het liefst. En dat is de schuld van de Rabobank. En de HEMA. De moraalridders. Politiek correcte jaknikkers.

Ze pakken ons alles af. Eerst zwarte piet. Nu onze vrouw- en mannelijkheid. Waar houdt het op? Ik ben bang, mama. Help me toch. De wereld om me heen verandert. Wat moet ik met die mensen? Mannen die vrouwenkleding dragen. Vrouwen die mannenkleding dragen. Ik wil ze in een hokje stoppen. Maar het PAST NIET. Mijn wereldbeeld. Het was zo helder. Nu is het troebel. Ik snap de wereld om me heen niet meer. Hoe kan ik, rechtlijnig van aard, de kromme lijnen om me heen duiden? Help me dan, mama. Ik ben zo bang.

 

 

 

 

Ze praten harder in Amsterdam

Ik ging vandaag naar Amsterdam. Met de trein. Tijdens mijn reis ernaartoe ontdekte ik iets. Hoe dichter je, geografisch gezien dan, bij Amsterdam komt, hoe harder de mensen praten. Ik kreeg het door ter hoogte van Utrecht. Het meisje naast me begon ineens heel hard te telefoneren. Ik schrok op uit mijn boek. Bleek dat meisje naast me helemaal niet te telefoneren. Het was een ander meisje, aan de andere kant van de coupé. Maar ze schreeuwde zo vreselijk hard door die telefoon. Ik dacht: ze praat met haar demente, maar vooral slechthorende oma. Hoe ze die zinnen door de telefoon smeet, de mensen in Culemborg konden haar horen. “Vast iemand die met haar demente, maar vooral slechthorende oma belt”, zeiden ze daar tegen elkaar. En het had best aandoenlijke trekjes, een kleindochter die nog de moeite neemt haar slechthorende oma te bellen. De meeste maken daar geen tijd voor. Zijn te druk met social media, enzo.  Maar wat bleek: ze belde niet met haar oma, maar met een vriendin. Dat was af te leiden uit de context van het gesprek. En natuurlijk, dat vriendinnetje zou slechthorend kunnen zijn. Die dingen gebeuren. Maar het leek me stug. Wie belt er nu met een slechthorende vriendin? Dat is het lot onnodig tarten. Je stuurt dan een handgeschreven brief. Of een tweetje. Dat wist zij ook.

De trein reed door richting Amsterdam. Het meisje met de telefoon had opgehangen, maar het geroezemoes in de coupé werd luider en luider. De één wilde boven de ander uitkomen en weer een ander boven de één. Een meneer met zwarte puntschoenen schreeuwde zo hard, dat zijn medeklinkers het volume van zijn klinkers niet konden bijbenen. Een klankenkakofonie waar geen touw aan vast te knopen was. Zijn vrouw knikte begripvol, die was het natuurlijk gewend dat haar man lukraak klinkers in het rond gooide. Maar ja, zij was dan ook zijn vrouw.

Ik vluchtte de coupé uit en rende de straten van Amsterdam op. Daar leken de mensen nog harder te praten dan in de coupé. Ik ving een gesprek op. Dat was niet moeilijk op te vangen gezien het volume, maar je moet het toch maar doen. Twee mensen, ik vermoed yuppen, maar dat is een onderbuikgevoel, naderden de apotheose van hun koetjes en kalfjes praatje, en spraken af een meter of tien uit elkaar te gaan staan, zodat ze nog even het gespreksvolume konden opschroeven. Ik verzin dit niet. Ik was erbij. Ik hoorde het ze zeggen: “Loop jij dan even daar naar die hoek toe. Ja, lekker Ruud. Zo gaat-ie goed,” schreeuwde de yup met alles wat hij had. Ruud pakte toen een megafoon uit zijn broekzak en begon sirenegeluiden af te spelen. Toen werd het me te gortig en ben ik snel de sprinter naar Brabant ingestapt. Het moet wel leuk blijven.

Die Amsterdammers snappen dat zacht pratend volk uit de provincie niet. Fluisteraars, vinden ze ons. Altijd maar lispelen, mompelen en smiespelen. Dat kennen ze daar niet. Ze worden er achterdochtig van. Op de terugweg naar Brabant zat ik naast zo’n Amsterdammer in de trein. Hij ging voor het eerst naar Brabant, bij wijze van culturele verbreding, zei hij tegen me. Het was een poosje stil en toen fluisterde hij in mijn oor: “Kijk dan. Hoe hij daar zit. Met zijn malle petje. En zijn vouwfiets. En die vrouw ernaast. Afgrijselijk. Stel je eens voor dat die seks hebben. Ik word er kotsmisselijk van. Echt, kotsmisselijk.” Ik schudde mijn hoofd en zei: “Je megafoon staat nog aan.”

 

Man voor heel even

Mark opent zijn ogen en gooit de dekens van zich af. Zijn wekker is nooit afgegaan, maar toch pakt hij het ding op en smijt ‘m tegen de muur kapot. “Net als op teevee”, denkt Mark. Een recalcitrant gevoel nestelt zich in hem. Hij wil de boel eens flink opschudden vandaag. Tegen heilige huisjes schoppen. Zijn omgeving choqueren met grof taalgebruik en ongewassen poriën. Hij loopt naar de badkamer en spuugt op de vloer. Zijn tandenborstel breekt hij in tweeën. Het voelt goed. Het voelt bevrijdend.

Mark holt naar beneden, pakt een boterham, smeert er pindakaas op, legt ‘m op een bordje, pakt een glas, giet er melk in en smijt heel de reutemeteut door het raam. Hij loopt via de voordeur naar buiten en schopt de scherven op straat. “Misschien rijdt er een fietser lek”, denkt Mark. “Of beter: een brommer.” Mark lacht in zijn vuistje en snelt de straat in. Zonder kleren. Maar dat maakt Mark niets uit. Vandaag maakt niets hem uit.

Hij huppelt over straat en woelt zich los uit zijn voorgekauwde leventje. Hij begroet en beschimpt vrouwen. Swaffelt verkeersborden, pinautomaten, bankjes en zelfs heggetjes moeten het ontgelden. Hij plast tegen bomen, stampt bloemen plat in voortuinen, zwemt in de stadsfontein en gooit wc-papier op kinderen. Mark ontdoet zich van zijn dwangbuis en het voelt verrukkulluk.

Maar het is niet genoeg. Mark sommeert nu andere mannen om ook hun kleren uit te doen. Hij pakt hun hand vast en rent met ze door de stad. Samen vieren ze hun vrijheid. Ze dansen, springen, zingen en roepen leuzen als: “Wat is het fijn om man te zijn” en “Wij doen alles wat we willen want het is 2017”.

Mark heeft inmiddels vijftig naakte mannen om zich heen verzameld. Ze dragen woeste baarden, zijn breedgeschouderd, hebben lichaamshaar op plekken waar normaal geen lichaamshaar groeit. Mark kijkt ze één voor één aan en wijst dan naar een gebouw in de verte. De mannen begrijpen meteen wat hun leider bedoelt. Joelend en borstkloppend rennen ze de supermarkt in. Ze trekken vlees en bier uit de schappen en verbranden het groente en fruit. Mark klimt op één van de kassa’s en bekroont zichzelf tot Tarzan van de supermarkt. Als hij zijn manschappen opnieuw wilt aansturen, hoort hij in de verte iemand zijn naam roepen. Het geluid klinkt ijl, maar wordt steeds scherper en luider. Dan schrikt Mark wakker. Zijn moeder staat naast hem met een kopje verse muntthee en een boterham met hagelslag. “Mark, word eens wakker knul. Je moet een land besturen.” “Natuurlijk, mama. Natuurlijk,” mompelt Mark terwijl hij zijn kleren aantrekt.

 

Gaat een Nederlander op vakantie

Marco gaat al twintig jaar op vakantie naar Spanje. Hij boekt ieder jaar dezelfde camping in het kustplaatsje Roses, eet in dezelfde restaurants en neemt vooralsnog ieder jaar dezelfde vrouw mee. Structuur en regelmaat, daar houdt Marco van. Vrienden zeggen: “Marco, ga eens naar Frankrijk of Italië.” Daar snapt Marco niets van. “Waarom zou ik een viandel bestellen als ik weet dat ik een frikadel het lekkerst vind?” kaatst Marco dan altijd sterk terug. Daar kunnen zijn vrienden niets tegen inbrengen.

Marco is inmiddels een begrip in Roses. De inwoners kijken het hele jaar uit naar die drie weken in juli, wanneer Marco voet in hun dorpje zet. Die leuke, gekke, spontane, goedlachse Nederlander. Soms verrast Marco ze. Komt ie ineens een weekje in het voorseizoen. “Nou, je had die gezichten eens moeten zien,” vertelt Marco dan altijd op feestjes. “Blij dat ze waren om me te zien. Hadden ze niet verwacht hè, in mei. Je moet af en toe wat terug doen voor die mensen.”

Als Marco en zijn vrouw arriveren in Roses maken ze zich klaar voor de eerste avond. Traditiegetrouw gaan ze naar hun favoriete restaurant: El Pollo Loco. Het personeel beschouwt Marco inmiddels als vrienden. Goede vrienden. En daarom heeft hij een cadeautje voor ze meegebracht.

Met het cadeau in de hand loopt hij over de boulevard, op weg naar El Pollo Loco. Onderweg ziet Marco allerlei bekenden. Eigenaren van restaurants, lokale bevolking in barretjes, de strandwacht. Iedereen krijgt een knuffel van Marco. “Dat vinden ze geweldig”, legt hij zijn vrouw uit. “Zie je ze stralen? Kijk dan, je ziet ze stralen van geluk. Ze vinden het weergaloos om ons weer te zien, hè schat?

Dan arriveren ze bij het restaurant. “Amigooooooo!” buldert Marco als hij de eigenaar ziet. Hij holt naar hem toe en geeft ‘m een stevige knuffel. Over Marco’s wang rolt een traan. Hij drukt de eigenaar, die geen idee heeft wie Marco is, het cadeau in de handen. “Een food pakket. Allemaal food uit Holland. Stamppot, erwtensoep, vla, pindakaas, frikadelletjes. Voor jou, amigo. To eat.”

Zijn vrouw krijgt een tafeltje toegewezen en Marco loopt nog even de keuken in om het personeel daar de hand te schudden. Hij geeft wat tips over hoe ze de beste calamares moeten maken en laat twee pakken Beckers frikadellen achter.

Als Marco en zijn vrouw aan het voorgerecht zitten, valt het oog van Marco op een koppeltje twee tafels verderop. “Zie je die mensen daar, schat? Ik heb ze nog nooit eerder gezien. Vind je het goed als ik heel even het tafeltje verlaat? Dan heet ik ze welkom in Roses. Misschien willen ze straks aanschuiven voor een drankje. Leuk toch, schat?”

 

Tobbend de vakantie door

Ik ben in Spanje met Chiara. We zitten in een hotel op één minuut lopen van het strand en twee minuten van het uitgaanscentrum van Platja D’aro. De lucht is blauw, de cocktails zijn goedkoop, het leven lacht ons toe, zou je denken. Maar niets is minder waar. Het is afzien. We tobben een eind weg. Het is overleven, zou ik bijna durven zeggen. Fuck it, ik zeg het gewoon. Het is overleven.

We gaan iedere dag naar het strand. Het strand is geen echt strand, want er ligt geen zand. Er liggen kiezelsteentjes. Ook waait het. Alles waait weg op dit strand. Afval, luchtbedden, vetrollen, Spaanse scheldkanonnades, maar vooral parasollen. Dat gaat al dagen zo. Die Nederlanders kunnen geen parasol plaatsen. Ik roep dan nog: “Je moet een parasolschroef kopen.” Maar ze vertikken het.

Dus vliegen de parasollen hier in het rond. Het is levensgevaarlijk. Chiara en ik zijn constant op onze hoede. We kunnen geen boek lezen, geen biertje drinken, niet naar de horizon achter de zee turen, want voor je het weet word je door een parasolstok doorkliefd. Spaanse parasollen hebben de scherpste parasolstokken van Europa. Komt door dat kiezelstrand.

Vandaag vloog een parasol wel honderd meter over het strand. Hij reeg gezin na gezin aan zijn stok en werd uiteindelijk gevangen door een oude, Spaanse man met een hoedje op. Hij vond het wel een vreemde gewaarwording, zo’n parasol met acht gezinnen eraan gepind, maar gaf ‘m zonder morren terug aan de eigenaar.

Eigenaren onderschatten vaak de ernst van zo’n situatie. Ze sjokken lacherig achter de parasol aan. Pas als de ledematen in het rond vliegen, wordt hun tred gehaast en ernstig. Mensen in de omgeving van de losgewortelde parasol klappen hun parasolletje ook maar in. “Je weet nooit wiens parasol de volgende is”, hoor ik ze smoezen.

Naast ons ruziet een stel. Ze gaan lunchen en de vrouw wil de parasol inklappen. De man denkt dat het zo wel kan. Hij heeft immers met kiezelstenen een berg tegen de parasolstok gebouwd. De vrouw vindt dat de aanwezigheid van het bergje kiezelstenen niet opweegt tegen de afwezigheid van een parasolschroef. Ze besluiten de parasol open te laten. Vijf minuten later zien ze ‘m vanaf de boulevard door de lucht gieren. Ze besluiten de volgende dag naar huis te gaan. “Geen schroef”, zou ze de hele terugreis mompelen.

Er zijn ook mooie constructies te zien op het strand. Constructies waarvan je denkt: “Zo, dat is een stevige constructie. Daar is over nagedacht. Die parasol waait niet zomaar weg.” Ik tik mijn vriendin aan en wijs haar op zo’n mooie constructie. “Zie je die man die eronder ligt”, zeg ik. “Die draagt ervaring met zich mee. Dat zie je zo. Hij is iemand die ’s ochtends wakker wordt en meteen bedenkt hoe zijn parasol niet gaat wegwaaien.”

Ik probeer die constructie al dagen na te bouwen. Mijn parasol staat gedegen, zal niet wegwaaien, maar haalt ’t niet bij de constructie van de man. Hij heeft de beste schroef van Spanje, zet de parasol tegen de wind in, gebruikt speciale flappen waar hij een berg kiezelstenen ingooit die het gewicht van de parasol verzwaart en heeft een vrouw van 130 kilo, die hij op één van de flappen drapeert waar geen kiezelstenen liggen. Ik kijk naar Chiara en denk: nog even meisje, nog even.

De overbuurman en ik

De overbuurman staat op het balkon. Hij steekt een sigaret op en speurt de straat af. Links, rechts en weer naar links. Net als ik. Zo’n vijf minuten geleden hoorden we allebei hetzelfde geschreeuw en gescheld. Ik gooide mijn tandenborstel in de wasbak en haastte me naar mijn balkon. Er blijkt niets aan de hand te zijn. Maar het had zomaar anders kunnen lopen, weten de overbuurman en ik. We trekken ons weer terug naar binnen.

In al die keren dat ik naar mijn balkon sprintte, zag ik één keer een vechtpartij. Ik was op mijn gemakje een zalmpasta aan het koken, toen ik plots geschreeuw en getoeter hoorde. “Reuring!”, dacht ik. Ik snelde naar mijn balkon en zag een dreigende situatie. Vijf minuten later was het raak: een groepje testosteronbommen begon op elkaar in te slaan. Het voelde bevredigend. “Ik zei het toch”, riep ik naar mijn vriendin. “Ik wist dat het deze keer voor het eggie was.”

Ja, het is een mooie anekdote geworden. Zo eentje die je er tijdens iedere sociale aangelegenheid wel in kunt gooien. “IK HEB EEN VECHTPARTIJ GEZIEN. VANUIT MIJN BALKONNETJE. DE OVERBUURMAN ZAG HET OOK.” Vinden de mensen prettig.

Een paar uur later hoor ik weer rumoer. Wat een dag. Ik ren naar het balkon. De overbuurman staat er al. We maken even oogcontact, knikken goedkeurend in elkaars richting. Hij kijkt naar links, ik kijk naar rechts. Maar de straat is rustig. Ik kijk door het raam van de overbuurman naar binnen. Er staat porno aan. Een gangbang. Of orgie. Ik kan het niet goed zien door zijn stoffige raam. De overbuurman kijkt me aan. Kijkt naar zijn televisie. En terug naar mij. Hij lacht nerveus en steekt zijn duim op. Ik gebaar dat het goed is.

De overbuurman en ik koesteren dezelfde fascinatie voor reuring. Dat schept toch een band. Ik heb ‘m nooit gesproken, maar het lijkt me best een aardige vent.