Gaat een Nederlander op vakantie

Marco gaat al twintig jaar op vakantie naar Spanje. Hij boekt ieder jaar dezelfde camping in het kustplaatsje Roses, eet in dezelfde restaurants en neemt vooralsnog ieder jaar dezelfde vrouw mee. Structuur en regelmaat, daar houdt Marco van. Vrienden zeggen: “Marco, ga eens naar Frankrijk of Italië.” Daar snapt Marco niets van. “Waarom zou ik een viandel bestellen als ik weet dat ik een frikadel het lekkerst vind?” kaatst Marco dan altijd sterk terug. Daar kunnen zijn vrienden niets tegen inbrengen.

Marco is inmiddels een begrip in Roses. De inwoners kijken het hele jaar uit naar die drie weken in juli, wanneer Marco voet in hun dorpje zet. Die leuke, gekke, spontane, goedlachse Nederlander. Soms verrast Marco ze. Komt ie ineens een weekje in het voorseizoen. “Nou, je had die gezichten eens moeten zien,” vertelt Marco dan altijd op feestjes. “Blij dat ze waren om me te zien. Hadden ze niet verwacht hè, in mei. Je moet af en toe wat terug doen voor die mensen.”

Als Marco en zijn vrouw arriveren in Roses maken ze zich klaar voor de eerste avond. Traditiegetrouw gaan ze naar hun favoriete restaurant: El Pollo Loco. Het personeel beschouwt Marco inmiddels als vrienden. Goede vrienden. En daarom heeft hij een cadeautje voor ze meegebracht.

Met het cadeau in de hand loopt hij over de boulevard, op weg naar El Pollo Loco. Onderweg ziet Marco allerlei bekenden. Eigenaren van restaurants, lokale bevolking in barretjes, de strandwacht. Iedereen krijgt een knuffel van Marco. “Dat vinden ze geweldig”, legt hij zijn vrouw uit. “Zie je ze stralen? Kijk dan, je ziet ze stralen van geluk. Ze vinden het weergaloos om ons weer te zien, hè schat?

Dan arriveren ze bij het restaurant. “Amigooooooo!” buldert Marco als hij de eigenaar ziet. Hij holt naar hem toe en geeft ‘m een stevige knuffel. Over Marco’s wang rolt een traan. Hij drukt de eigenaar, die geen idee heeft wie Marco is, het cadeau in de handen. “Een food pakket. Allemaal food uit Holland. Stamppot, erwtensoep, vla, pindakaas, frikadelletjes. Voor jou, amigo. To eat.”

Zijn vrouw krijgt een tafeltje toegewezen en Marco loopt nog even de keuken in om het personeel daar de hand te schudden. Hij geeft wat tips over hoe ze de beste calamares moeten maken en laat twee pakken Beckers frikadellen achter.

Als Marco en zijn vrouw aan het voorgerecht zitten, valt het oog van Marco op een koppeltje twee tafels verderop. “Zie je die mensen daar, schat? Ik heb ze nog nooit eerder gezien. Vind je het goed als ik heel even het tafeltje verlaat? Dan heet ik ze welkom in Roses. Misschien willen ze straks aanschuiven voor een drankje. Leuk toch, schat?”

 

Tobbend de vakantie door

Ik ben in Spanje met Chiara. We zitten in een hotel op één minuut lopen van het strand en twee minuten van het uitgaanscentrum van Platja D’aro. De lucht is blauw, de cocktails zijn goedkoop, het leven lacht ons toe, zou je denken. Maar niets is minder waar. Het is afzien. We tobben een eind weg. Het is overleven, zou ik bijna durven zeggen. Fuck it, ik zeg het gewoon. Het is overleven.

We gaan iedere dag naar het strand. Het strand is geen echt strand, want er ligt geen zand. Er liggen kiezelsteentjes. Ook waait het. Alles waait weg op dit strand. Afval, luchtbedden, vetrollen, Spaanse scheldkanonnades, maar vooral parasollen. Dat gaat al dagen zo. Die Nederlanders kunnen geen parasol plaatsen. Ik roep dan nog: “Je moet een parasolschroef kopen.” Maar ze vertikken het.

Dus vliegen de parasollen hier in het rond. Het is levensgevaarlijk. Chiara en ik zijn constant op onze hoede. We kunnen geen boek lezen, geen biertje drinken, niet naar de horizon achter de zee turen, want voor je het weet word je door een parasolstok doorkliefd. Spaanse parasollen hebben de scherpste parasolstokken van Europa. Komt door dat kiezelstrand.

Vandaag vloog een parasol wel honderd meter over het strand. Hij reeg gezin na gezin aan zijn stok en werd uiteindelijk gevangen door een oude, Spaanse man met een hoedje op. Hij vond het wel een vreemde gewaarwording, zo’n parasol met acht gezinnen eraan gepind, maar gaf ‘m zonder morren terug aan de eigenaar.

Eigenaren onderschatten vaak de ernst van zo’n situatie. Ze sjokken lacherig achter de parasol aan. Pas als de ledematen in het rond vliegen, wordt hun tred gehaast en ernstig. Mensen in de omgeving van de losgewortelde parasol klappen hun parasolletje ook maar in. “Je weet nooit wiens parasol de volgende is”, hoor ik ze smoezen.

Naast ons ruziet een stel. Ze gaan lunchen en de vrouw wil de parasol inklappen. De man denkt dat het zo wel kan. Hij heeft immers met kiezelstenen een berg tegen de parasolstok gebouwd. De vrouw vindt dat de aanwezigheid van het bergje kiezelstenen niet opweegt tegen de afwezigheid van een parasolschroef. Ze besluiten de parasol open te laten. Vijf minuten later zien ze ‘m vanaf de boulevard door de lucht gieren. Ze besluiten de volgende dag naar huis te gaan. “Geen schroef”, zou ze de hele terugreis mompelen.

Er zijn ook mooie constructies te zien op het strand. Constructies waarvan je denkt: “Zo, dat is een stevige constructie. Daar is over nagedacht. Die parasol waait niet zomaar weg.” Ik tik mijn vriendin aan en wijs haar op zo’n mooie constructie. “Zie je die man die eronder ligt”, zeg ik. “Die draagt ervaring met zich mee. Dat zie je zo. Hij is iemand die ’s ochtends wakker wordt en meteen bedenkt hoe zijn parasol niet gaat wegwaaien.”

Ik probeer die constructie al dagen na te bouwen. Mijn parasol staat gedegen, zal niet wegwaaien, maar haalt ’t niet bij de constructie van de man. Hij heeft de beste schroef van Spanje, zet de parasol tegen de wind in, gebruikt speciale flappen waar hij een berg kiezelstenen ingooit die het gewicht van de parasol verzwaart en heeft een vrouw van 130 kilo, die hij op één van de flappen drapeert waar geen kiezelstenen liggen. Ik kijk naar Chiara en denk: nog even meisje, nog even.

De overbuurman en ik

De overbuurman staat op het balkon. Hij steekt een sigaret op en speurt de straat af. Links, rechts en weer naar links. Net als ik. Zo’n vijf minuten geleden hoorden we allebei hetzelfde geschreeuw en gescheld. Ik gooide mijn tandenborstel in de wasbak en haastte me naar mijn balkon. Er blijkt niets aan de hand te zijn. Maar het had zomaar anders kunnen lopen, weten de overbuurman en ik. We trekken ons weer terug naar binnen.

In al die keren dat ik naar mijn balkon sprintte, zag ik één keer een vechtpartij. Ik was op mijn gemakje een zalmpasta aan het koken, toen ik plots geschreeuw en getoeter hoorde. “Reuring!”, dacht ik. Ik snelde naar mijn balkon en zag een dreigende situatie. Vijf minuten later was het raak: een groepje testosteronbommen begon op elkaar in te slaan. Het voelde bevredigend. “Ik zei het toch”, riep ik naar mijn vriendin. “Ik wist dat het deze keer voor het eggie was.”

Ja, het is een mooie anekdote geworden. Zo eentje die je er tijdens iedere sociale aangelegenheid wel in kunt gooien. “IK HEB EEN VECHTPARTIJ GEZIEN. VANUIT MIJN BALKONNETJE. DE OVERBUURMAN ZAG HET OOK.” Vinden de mensen prettig.

Een paar uur later hoor ik weer rumoer. Wat een dag. Ik ren naar het balkon. De overbuurman staat er al. We maken even oogcontact, knikken goedkeurend in elkaars richting. Hij kijkt naar links, ik kijk naar rechts. Maar de straat is rustig. Ik kijk door het raam van de overbuurman naar binnen. Er staat porno aan. Een gangbang. Of orgie. Ik kan het niet goed zien door zijn stoffige raam. De overbuurman kijkt me aan. Kijkt naar zijn televisie. En terug naar mij. Hij lacht nerveus en steekt zijn duim op. Ik gebaar dat het goed is.

De overbuurman en ik koesteren dezelfde fascinatie voor reuring. Dat schept toch een band. Ik heb ‘m nooit gesproken, maar het lijkt me best een aardige vent.

Varkentje

Vandaag zag ik een man een varken uitlaten. In het park. Het zijn dingen die je weleens leest of hoort, maar nooit met eigen ogen aanschouwt. Tot vandaag dan. Het was helemaal niet zo’n vreemde gewaarwording. Het lijkt precies op een man die zijn hond uitlaat, maar dan is de hond geen hond, maar een varken.

Dan schieten er meteen allerlei vragen door je hoofd. Wat doet deze verzengende hitte met het varkentje? Bezwijkt zijn roze, fragiele huidje eronder? Kan je een varkentje insmeren met zonnebrandcrème? Of wordt dat als mishandeling gezien? Varkentjes in het wild kunnen immers ook geen beroep doen op zonnebrandcrème. En dan nog iets: knort het varkentje als ik toenadering zoek, hem over zijn bolletje aai?

Heeft het varkentje al vriendschappen gesloten met andere varkentjes in het park, of is hij de enige van zijn soort die daar wordt uitgelaten?

En wat vindt het beestje er zelf van? Dat hij als hond wordt uitgelaten in het park. De kleur van zijn huid camoufleert eventuele uitingen van schaamte, maar ik kan me voorstellen dat het varkentje zich niet helemaal op zijn gemak voelt met dat strakke lijntje om zijn nek. En wat moet de eigenaar doen als het varkentje poept? Oprapen en in de prullenbak gooien, of is dat niet nodig bij een varkensdrol? Zijn hier al Kamervragen over gesteld?

En dan heb ik nog niet eens nagedacht over het sociaalpsychologische aspect. Accepteren de honden in het park het varkentje? Kijken de hondjes misschien tegen hem op? Kortom: heeft het varkentje gezag? Of maken ze hem belachelijk. Plaatsen ze neerbuigende en provocerende opmerkingen. Pesten de honden het varkentje misschien wel. Honden kunnen gemeen zijn, helemaal in groepen.

Helaas zag ik geen mogelijkheid om het baasje deze vragen voor te leggen. In een vlaag van opportunisme knipte ik de lijn van het varkentje door, zette hem achterop mijn fiets en sprintte naar huis. Ik was nog net op tijd voor de barbecue.

Avondmensen

Ik zit met vrienden op het terras. We drinken bier, praten onze studievertraging goed en klagen over huishoudelijke taken die onze vriendinnen ons dwangmatig opleggen. Het leven is ons vaak goedgezind, maar dit gesprek wordt overheerst door bitterheid en tragiek. Totdat Stef opveert en vertelt dat hij weer licht aan het einde van de tunnel ziet. “Ik ben een avondmens geworden. En ik raad het iedereen aan!” zei hij met ogen tranend van geluk.

Het fleurde me meteen op. Stef straalde positieve energie uit, alsof hij weer grip op zijn leven heeft. Hij mag zich dan ook rekenen tot een select gezelschap van eigenzinnige en intelligente mensen, die zich onttrekken aan de sleur van het alledaagse en het voorrecht hebben de hele nacht proza te lezen en opera te luisteren. En het te begrijpen. Nee, Stef hoeft zich niet meer vast te klampen aan de door de maatschappij opgelegde kaders van ‘tijd’, maar kan geheel volgens eigen ritme leven. Als de normale man ’s avonds op de bank neerploft, moe van de werkdag en moe wordend van de werkdag die komen gaat, komt Stef tot leven. De onnavolgbare kluwen in zijn hersenpan ontwikkelt zich tot een overzichtelijk geheel en de creativiteit spuwt uit alle poriën die zijn lichaam rijk is.

Maar een avondmens zijn is meer dan dat. Neem nou zoiets als kunst. Normale mensen kijken naar een schilderij en vinden daar dan wat van. Maar als Stef een schilderij ziet, sluit hij zijn ogen en voelt hij de penseelstreken zijn lichaam binnendringen. De kunst heeft een helende werking op zijn geest. Daar snappen normale mensen niets van, die zijn te rationeel en vlak van geest. Maar Stef kan de sluizen van zijn ziel wagenwijd openzetten voor kunst, zoals andere avondmensen dat ook kunnen. Dat vergt een bepaalde ruimdenkendheid. En souplesse.

Ook de seks is veranderd voor Stef. Hij vrijt nu enkel passievol. Vroeger, toen hij nog tot de normale mensen behoorde, ging hij altijd voor het vluggertje. Erin, eruit, erin, eruit en dan in slaap vallen. Dat doen normale mensen nu eenmaal. Ze laten zich leiden door beestachtige behoeftes. Arm spul. Avondmensen grossieren daarentegen in vrijen met volle overgave. Met hartstocht. Iedere vrijpartij is een moment waarin ze zich ontdoen van tijdsbesef en één worden met natuur en mens. De volgende morgen slapen ze hun roes uit, drinken een koffietje en slaan eens een krantje open. Rond een uur of twee tuffen ze naar hun werkkamer (ze zijn freelancer) en starten rustig op, in hun hoofd al met de avond bezig.

En ik benijd Stef. Ik benijd alle avondmensen. Ik wil zoals zij zijn, maar het lukt me niet. Iedere avond probeer ik het. In monnikenhouding geknield zit ik in de woonkamer. De klok tikt. Het is bijna twaalf uur, nog drie uur te gaan en ik ben een avondmens, tenminste voor één dag. Mijn oogleden worden zwaarder. Ik vecht tegen de slaap. En dan, om vijf voor half één, val ik in slaap. Het leven is me weer niet goedgezind.

Oma Bep

Bep is 93 en woont in een verzorgingstehuis. Ze kijkt de hele dag tv, krijgt nooit bezoek en eet iedere dag stipt om 11.00 één worstenbroodje met een lepeltje knoflooksaus. Het personeel heeft een grafhekel aan Bep en hoopt collectief dat ze zich op een dag verslikt in haar worstenbroodje. Dat zeg ik niet om medelijden voor Bep op te wekken, het is gewoon zo.

Toch is haar leven niet zo uitzichtloos als het lijkt. Bep spaart namelijk restaurantzegels bij de Albert Heijn. Spaaracties houden haar jong van geest, denkt ze. Maar Bep moet realistisch zijn: dit is haar laatste spaaractie. Het lichaam wil niet meer en het besturen van de rollator kost haar steeds meer moeite. Toch heeft ze nog puf om twee keer per week de Albert Heijn binnen te rollen. Bep heeft het niet breed, maar grijpt wat ze grijpen kan, totdat ze voor tien euro aan boodschappen bij elkaar gesprokkeld heeft. Want dat staat gelijk aan één zegeltje.

Op een regenachtige zondagmiddag ergens in april, arriveert Bep bij de kassa van de Albert Heijn. Ze heeft slechts 9,65 op zak. De caissière is onverbiddelijk: “U mag de boodschappen meenemen, maar krijgt geen zegeltje mevrouw. U mist 35 cent.” De tranen springen in haar ogen. Een man in de rij schiet te hulp en zegt dat hij wel 35 cent kan missen. Maar dat gaat er niet in bij de caissière: “Zo werkt dat hier niet, meneer.” Ze wendt zich tot Bep: “En nu ophoepelen, oude graftak. U houdt de rij op.” Droevig rolt Bep weer naar huis. Zonder zegeltje. En met een tas vol boodschappen die ze toch nooit zal gebruiken.

Maar Bep geeft niet op. Ze plundert het laatste geld van haar pensioen, trekt haar spaarrekening leeg en rolt terug naar de Albert Heijn. Hoe dan ook, haar kleinkinderen krijgen een gratis 2e 3-gangenmenu. Alle zestien. Het is haar levensdoel geworden. Bep weet dat ze niet meer lang te leven heeft, maar ziet de dood blijmoedig tegemoet, wetende dat ze haar kleinkinderen een prachtig geschenk gaat achterlaten. Ze zouden van haar houden, tot lang na haar dood.

Een week later ligt ze op haar sterfbed. Haar kinderen, kleinkinderen, broers en zussen, allemaal hebben ze zich rond haar bed verzameld. Daar ligt ze dan. Kwijlend, kreunend en kapotgeslagen door het leven, dat haar nooit gespaard heeft. Één zegel. Dat is wat ze te kort komt. Haar jongste kleinkind, nu elf jaar oud, komt bij het bed van zijn oma staan en geeft Bep een kus op haar wang. Hij mag als enige niet mee uit eten met zijn neven en nichten. “En dat is jouw schuld, oma. Jij ligt hier nu wel dood te gaan, maar je hebt één zegeltje te weinig gespaard. Je hebt me teleurgesteld, Bep”, zegt hij terwijl ze haar laatste adem uitblaast.

Komt een student in de kroeg

De adrenaline jaagt door zijn lichaam als hij naar haar kijkt. Van alle mensen en dingen bij elkaar, is dit het mooiste iets dat hij ooit gezien heeft. “Spreek haar aan Thijs, het wordt tijd dat je eens een vriendin krijgt man”, schreeuwt Marco in zijn oor. Thijs hoort het niet. “Misschien is dit de ware” en hij geeft hem een por in haar richting.

Thijs studeert alweer vier jaar Bedrijfseconomie en heeft het er flink van genomen de afgelopen jaren. Toch houdt een knagend verlangen hem ’s nachts geregeld wakker. Hij wil een vriendin. Een vaste. Thijs neemt nu vaak meisjes mee naar huis die hij oppikt in de kroeg. Maar hij heeft er de puf niet meer voor. Iedere keer maar weer dezelfde zoetsappige zinnetjes eruit rammen om ze naar zijn kamer te lokken. Moet hij na de seks ook nog zijn best doen om ze klaar te laten komen. “Daar word je toch godverdomme niet goed van”, snauwt hij dan ook vaak tegen zijn huisgenoten. Thijs is toe aan iets anders. Samen met zijn vriendin GTST kijken terwijl zij voorzichtig wat haartjes op zijn neusbrug verwijdert. Dat is wat Thijs wil.

Hij schuifelt voorzichtig naar haar toe. Hij polijst zijn haar door het zweet op zijn gezicht erdoorheen te smeren. Dan spreekt hij haar aan: “Ik weet het zeker. Jij bent het meisje van mijn dromen. Wat moet ik doen om je mee naar huis te mogen nemen?”

Het meisje zucht. Een schok van onzekerheid giert door het lichaam van Thijs. Ze komt een stap dichterbij en zegt: “Ik ken types zoals jij. Het liefste neem je me nu mee naar huis, neuk je me zonder aan mijn genot te denken en stuur je me nog voor het slapen gaan met een kutsmoes naar huis.”

Thijs slikt. ‘Dat is inderdaad vaak mijn handelswijze’, denkt hij. Hij neemt een flinke slok van zijn bier en besluit er een schepje bovenop te doen. Met een ‘alles of niets’-offensief richt hij zich weer op het meisje: “Ik ben anders. Zie je die gasten daar? Ik hoorde ze net nog zeggen dat ze jou een lekker hertje vinden dat ze willen schieten. Maar ik zie een lekker hertje die ik niet mag laten schieten. Ik wil je niet mee naar bed nemen, nee, ik wil je mee naar mijn leven nemen.”

Het meisje lacht voorzichtig. ‘Het muurtje is gebroken, of op zijn minst beschadigd,’ denkt Thijs tevreden. Na een kleine aarzeling fluistert ze in zijn oor: “Ik geef je een kans. Maar hoe weet ik zeker dat het niet de alcohol is die spreekt nu? Jongens die alcohol drinken vinden alles met twee borsten en een bolle kont aantrekkelijk.”

“Ik heb zoveel meisjes ontmoet, maar alleen jij geeft me gevoelens als deze,” zegt Thijs. Hij legt zijn hand op haar middel en vervolgt: “Ik neem je niet mee naar huis. Niet vanavond. Ik wil deze nacht verlangen naar je naakte lichaam en dromen over gelijktijdig klaarkomen terwijl we Amy Winehouse luisteren. Morgen word ik wakker en denk ik meteen aan jou. Ik neem je mee naar Spanje, waar we een huis aan het strand kopen en samen oud worden. Gelukkig en stokoud. We zullen klaverjassend de dood tegemoet lopen.”

Rond het middaguur ontwaakt Thijs. Zijn slaapkamer is donker. Hij trekt de gordijnen open en een potje gel rolt de vensterbank af. In de spiegel ziet hij een verfomfaaid type staan en het kost hem enkele seconden om te beseffen dat hij naar zichzelf staart. Zijn mobiel trilt. Een whatsappje van Marco: “Hoe was het gisteren nog? Laat gemaakt?”

“Geen idee man, kan me niets meer herinneren. Was vast mooi,” typt hij terug.