Altijd alles willen winnen

Mijn vriendin vraagt me weleens waarom ik zo competitief ben ingesteld. Waarom ik overal een wedstrijd van maak. Waarom ik boos wegloop tijdens monopolie, de hele avond chagrijnig ben als mijn bowlingsscore niet boven de 150 punten uitkomt en in zak en as zit wanneer ik niet eerste word bij een potje poker. Ik moet dan altijd denken aan de voetbaltraining.

Toen we twaalf waren, fietsten we iedere dinsdag- en donderdagavond naar de voetbaltraining. Om zes uur spraken we af bij de kerk. Daar discussieerden we over wie welke wielrenner mocht zijn. Favorieten waren: Lance Armstrong, Cadel Evans, Mark Cavendish en Aleksandr Vinokoerov. Om stipt vijf over zes sjeesden we naar het sportpark. Voetbaltasje op de rug, twee handen stevig aan het stuur. Wie als eerste met zijn voorwiel ‘Sportpark de Brand’ binnenrolde, won de etappe. Al snel bleek dat dezelfde vriend altijd won. Toen gooiden we noodgedwongen wat nieuwe, competitieve elementen op tafel. Je kon de etappe winnen en je bekronen tot beste allrounder, maar er was nu ook een sprint- en bergklassement dat je kon winnen. Dat er geen bergen en zelfs geen heuveltjes in Berlicum waren, namen we maar voor lief.

Omstreeks kwart over zes arriveerden we doorgaans op het voetbalcomplex. Om half zeven stapten we het veld op. Daar ruzieden we over wie Van Nistelrooy, Arjen Robben, Jaap Stam of Wesley Sneijder mocht zijn. Om acht uur stonden we klaar voor de terugweg naar huis. Een rustige etappe zat er niet in.

Op een dag kwam de vriend die altijd won met een nieuwe fiets aan. Bijna duizend euro kostte dat ding. Met meer versnellingen, betere remmen, luidere fietsbel, je kent ’t wel. Pislink waren we. Iemand repte zelfs over competitievervalsing. Ondanks alle commotie vertrokken we om stipt vijf over zes vanuit de kerk naar het sportpark. Ik weet nog dat ik razendsnel uit de startblokken schoot en meteen voorin zat, samen met de vriend die altijd won. De eerste bocht naderde. Ik ging van buiten naar binnen en sneed ‘m verschrikkelijk hard af. De spaken vlogen uit zijn voorwiel en hij tuimelde zo een voortuin in. Ik ben toen kei hard doorgefietst en won de etappe. Onze vriend kwam die dag niet naar de voetbaltraining.

Daarna is het leven snel gegaan. Ik werd voor het eerst dronken, ging studeren in Tilburg en over een maand woon ik samen met mijn vriendin in Amsterdam. Maar als ik met mijn vrienden ben, ruziën we over wie het beste is in Catan, tafeltennis of FIFA. ‘Sommige dingen veranderen nooit’, zeg ik dan als mijn vriendin vraagt waarom ik altijd alles wil winnen.

Advertenties

Ik viel als kind op mijn achterhoofd

Ik ben als kind op mijn achterhoofd gevallen. Het was 1999 en we vierden met familie en vrienden carnaval in ‘Eetcafé De Witte Zwaan’. Ik was verkleed als piraat, net als mijn broertje en al onze vriendjes. We deden net alsof we op een schip waren en kregen ruzie over wie de kapitein mocht zijn. Toen zag ik papa, een van de langere mannen in de kroeg, al dansend boven de menigte uittorenen. Ik klom in zijn nek. Hij werd mijn kraaiennest. Net toen ik wilde roepen dat ik de kapitein was, leek mijn schip te kantelen. Enkele seconden later lag ik gestrekt op de door bier doordrenkte dansvloer. Papa was gevallen. Een golf van bier bleek fataal voor zijn coördinatie. Een bult groeide op mijn achterhoofd.

Ik vermoed dat er opzet in het spel was. Je moet begrijpen dat mijn vader en ik constant in een concurrentiestrijd verkeerden. Toen ik drie was kon ik de voetbal tien keer hooghouden. Dat lukte papa pas op zijn achtste. Een jaar later werden mijn zijwieltjes eraf geschroefd. De ouders van mijn vader kochten pas een schroevendraaier toen hij 12 werd. Een week voor het incident wees ik hem op een haartje dat uit mijn kin leek te groeien. Dat was toen slechts een haartje uit mijn kin, nu weet ik beter: het was het startschot voor mijn baardgroei. Iets dat bij mijn vader pas op zijn veertiende te horen was. Toen moet er iets geknapt zijn bij hem.

Sindsdien heb ik vaak wakker gelegen met vragen in mijn hoofd. Wat was er gebeurd als ik niet was gevallen? Waar had mijn plafond gelegen? Was ik profvoetballer geworden? Wetenschapper? Consultant bij een gerenommeerd bedrijf met internationaal karakter? Ik zal het nooit weten.

Toch heb ik nooit gevoelens van wraak gekoesterd richting mijn vader. We zijn maar mensen. We handelen op basis van instinct. Bovendien: ik zou hetzelfde doen als ik de indruk kreeg dat mijn zoon me weleens voorbij zou kunnen streven. Natuurlijk, je wilt het beste voor je kinderen. Je bent trots als ze een doelpunt maken. Maar ze moeten niet overdrijven en hun vader te kakken zetten, of zelfs vernederen, door de prestaties die hij als kind behaalde, te verpulveren. Nu ik erover nadenk: ik sloofde me ook ontzettend uit toen ik dat balletje tien keer hooghield. Dat was niet nodig en bovendien provocerend. Enfin, geen wraakgevoelens dus. Maar wel het gevoel dat ik iets moest rechtzetten met mijn vader. Dus dat deed ik.

Ik nodigde hem uit bij mij thuis. Ik was gehuld in piratenkleding en overhandigde hem bij binnenkomst ook een setje. Hij wist meteen wat er ging gebeuren. “En Garde!”, brulde ik en het zwaardgevecht begon. Na enkele minuten wist ik het zwaard uit zijn handen te slaan en deelde de genadeslag uit. Hij zakte door zijn knieën en huilde tranen met tuiten. “Wat is er, pa?”, vroeg ik. “Ik won mijn eerste piratengevecht tegen mijn vader pas op mijn 32e,” snikte hij.

 

Natuurlijk mag Max de scheidsrechter uitschelden voor mongool

Ook ik zat zondagavond twee uur lang aan de buis gekluisterd. Ik had de hele race het gevoel dat een podiumplaats haalbaar was voor Max. Toen dat ternauwernood lukte, sprong ik op van blijdschap. Mijn vriendin snapte er niets van. “Juicht hij nou ook al voor Formule 1?” zag ik haar denken. Dat euforische gevoel verdween al snel. Max kreeg een tijdstraf en moest genoegen nemen met een vierde plaats. Nederland ontplofte. En terecht.

Ook Max ontplofte. Hij vond dat de scheidsrechter hem genaaid had en noemde ‘m – tot twee keer toe – ‘mongool’. Dat vind ik prachtig. Zeggen wat je denkt. Die man een mongool noemen, omdat hij op dat moment voor jou ook een mongool is. Voetbalfans, waaronder ikzelf, moeten zo’n interview helemaal kunnen waarderen. Wij zoeken telkens het klaagbankje op als een voetballer weer eens met clichés en voorspelbare, nietszeggende uitspraken op de proppen komt tijdens een interview. We worden op onze wenken bediend door deze jeugdige coureur, die lak heeft aan mediatraining en fatsoensnormen.

Toch schieten de uitspraken van Max bij menig Nederlander in het verkeerde keelgat. Nederland is namelijk een braaf landje. We zijn van de regeltjes. Normen en waarden. Vinden het fijn om iemand erop te wijzen dat zijn gedrag niet door de beugel kan. ‘Sport is emotie’, zeggen we altijd. Maar niet te veel emotie tonen, het moet wel beschaafd blijven. Dus gaat Max van held naar schlemiel.

Dan denk ik: we missen dat zuidelijke temperament. We laten ons nooit helemaal gaan, en als dat toch dreigt te gebeuren, herpakken we ons op het laatste moment. Dat is jammer. Want wat is er nou mooier dan als één land achter een sporter en diens uitspraken staan. We weten best dat het niet netjes is wat hij zegt, maar we hebben er maling aan. Pathos boven logos. Als voorbeeld neem ik Jose Mujica. De oud president van Uruguay. Hij zag in 2014 hoe landgenoot Luis Suarez tijdens het WK voetbal in de schouder van Chiellini beet. Suarez werd geschorst, en de hele voetbalwereld kotste hem uit. Maar Mujica niet. Hij ontkende het incident; zei dat hij niets had gezien. Hij bleef pal achter Suarez staan. Emotie was op dat moment belangrijker dan al het andere.

En dat is wat wij ook moeten doen. Kies eens voor emotie en laat die nationalistische gevoelens in je los. Natuurlijk doet Max niets fout. Natuurlijk mag Max de scheidsrechter uitschelden voor mongool. Zolang we het blijven herhalen, gaan we er nog in geloven ook. Zo werkt dat, zoek maar op in de regeltjes.

 

Een setje kleding

Mama zorgde vroeger dat ik me netjes kleedde. Ze is ijdel van aard, en ik had de gewoonte mijn meest verschoten kleding aan te doen op momenten dat het gebruikelijk was wat netter voor de dag te komen. Dus besloot mama om voor speciale gelegenheden een setje kleding op mijn bed te leggen. Meestal een nette broek plus blouse. Ze zweerde hier geen gewoonte van te maken. Ik was geen prins en zij geen bediende, zei ze dan. Maar haar ijdelheid won met speels gemak van haar opvoedkundige principes. ‘Speciale gelegenheden’ werd een rekbaar begrip: als ik naar school, de voetbaltraining of vrienden ging, lag er een setje klaar.

Toen ik op kamers ging moest ze hier noodgedwongen mee stoppen. De eerste twee dagen reed ze er nog voor naar Tilburg, maar na een goed gesprek met mijn vader stopte dat. Wel stuurde ze me dagelijks berichtjes: ‘Heb je nog genoeg mooie kleren’, ‘heb je onderbroeken of sokken nodig?’, ‘let erop dat je geen spijker op spijker draagt’. Ze kocht ongevraagd kleren voor me en stopte deze stiekem in mijn tas als ik op zondagavond weer naar Tilburg vertrok. Het was mijn moeders grootste nachtmerrie dat mensen zouden vinden dat ik er slonzig bijliep.

Maar ze kon niet anders dan erkennen dat ze geen grip meer op me had. Het navelstrengetje was doorgeknipt. Net toen ze zich had neergelegd bij de situatie, zag ze een kleine opening: ik kreeg een vriendin. En ook zij had de excessieve drang zich te bemoeien met mijn kledingdracht, merkte mijn moeder al snel op. Dat vond ze aanvankelijk wel lastig: ze verloor niet alleen de controle, ze gaf het ook uit handen. Maar mijn vriendin won haar vertrouwen. Inmiddels is het een dynamisch duo. De communicatielijnen zijn aangescherpt: mama appt mijn vriendin over mijn kleding, samen besluiten ze wat ik nodig heb en mijn vriendin regelt dat dan. De lange arm van mama is zichtbaarder dan ooit.

Toch is er paniek in de tent. Deze vrijdag is er een speciale gelegenheid: mijn diploma-uitreiking. Mama is ontzettend bang dat ik verkeerde kleren aantrek. Haar schoondochter is op vakantie, dus niemand kan me sturen. Het zweet staat al weken op mijn moeders voorhoofd. Mijn studententijd wordt afgesloten, niet met een diploma, maar met de verantwoordelijkheid dat diploma in de juiste kleding op te halen. Voor het eerst in mijn leven moet ik zelf het juiste setje op bed leggen. Als ik er maar geen gewoonte van maak.

 

Ik word niet snel boos

Mij krijgen ze niet snel boos. Om me heen gebeuren dingen waar een hoop mensen wel heel boos om worden. Laaiend, soms. Ik noem maar iets: het Oekraïnereferendum. Dat was ook niet netjes van Mark. Het volk om hun mening vragen en het dan aan de kant schuiven. Alsof wij, de normale mensen, te dom zijn voor politieke kwesties. Schaamteloos, vond ik het. Maar ik hield me in. Ik dacht: “Tom, je kunt nu boos worden. Je kunt gaan vloeken, met tafels en stoelen gooien, maar wat heeft het voor zin?” Dus ik liet het van me afglijden. Bleef kalm. Bewaarde de rust.

Vandaag lukte dat niet. Ik ben woest. Als ze aan de labeltjes van jongens- en meisjeskleding komen… Dan ga je bij mij echt een paar stappen te ver. Dan ga je een grens over. En zoals ik al zei, ik word niet snel boos, maar zulke rariteiten doen mijn bloed koken. Kijk, vrijheid, daar ben ik helemaal voor. Ik weet het nog goed. Ik was een jaar of vier, at een boterham met pindakaas en dacht bij mezelf: “Vrijheid. Dat is nou een mooi concept. Daar wil ik later wel iets mee. Vrijheid.” En dat gevoel is nooit weggeëbd. Maar dit is vrijheid van een andere orde. Jongetjes in jurken. Meisjes in stoere kleding. En we tolereren het. Nee, erger, we accepteren het. Nee, nog erger, we moedigen het aan. Ouders huppelen hand in hand door de stad wanneer hun zoontje een jurk aantrekt. Een ROZE jurk, het liefst. En dat is de schuld van de Rabobank. En de HEMA. De moraalridders. Politiek correcte jaknikkers.

Ze pakken ons alles af. Eerst zwarte piet. Nu onze vrouw- en mannelijkheid. Waar houdt het op? Ik ben bang, mama. Help me toch. De wereld om me heen verandert. Wat moet ik met die mensen? Mannen die vrouwenkleding dragen. Vrouwen die mannenkleding dragen. Ik wil ze in een hokje stoppen. Maar het PAST NIET. Mijn wereldbeeld. Het was zo helder. Nu is het troebel. Ik snap de wereld om me heen niet meer. Hoe kan ik, rechtlijnig van aard, de kromme lijnen om me heen duiden? Help me dan, mama. Ik ben zo bang.

 

 

 

 

Ze praten harder in Amsterdam

Ik ging vandaag naar Amsterdam. Met de trein. Tijdens mijn reis ernaartoe ontdekte ik iets. Hoe dichter je, geografisch gezien dan, bij Amsterdam komt, hoe harder de mensen praten. Ik kreeg het door ter hoogte van Utrecht. Het meisje naast me begon ineens heel hard te telefoneren. Ik schrok op uit mijn boek. Bleek dat meisje naast me helemaal niet te telefoneren. Het was een ander meisje, aan de andere kant van de coupé. Maar ze schreeuwde zo vreselijk hard door die telefoon. Ik dacht: ze praat met haar demente, maar vooral slechthorende oma. Hoe ze die zinnen door de telefoon smeet, de mensen in Culemborg konden haar horen. “Vast iemand die met haar demente, maar vooral slechthorende oma belt”, zeiden ze daar tegen elkaar. En het had best aandoenlijke trekjes, een kleindochter die nog de moeite neemt haar slechthorende oma te bellen. De meeste maken daar geen tijd voor. Zijn te druk met social media, enzo.  Maar wat bleek: ze belde niet met haar oma, maar met een vriendin. Dat was af te leiden uit de context van het gesprek. En natuurlijk, dat vriendinnetje zou slechthorend kunnen zijn. Die dingen gebeuren. Maar het leek me stug. Wie belt er nu met een slechthorende vriendin? Dat is het lot onnodig tarten. Je stuurt dan een handgeschreven brief. Of een tweetje. Dat wist zij ook.

De trein reed door richting Amsterdam. Het meisje met de telefoon had opgehangen, maar het geroezemoes in de coupé werd luider en luider. De één wilde boven de ander uitkomen en weer een ander boven de één. Een meneer met zwarte puntschoenen schreeuwde zo hard, dat zijn medeklinkers het volume van zijn klinkers niet konden bijbenen. Een klankenkakofonie waar geen touw aan vast te knopen was. Zijn vrouw knikte begripvol, die was het natuurlijk gewend dat haar man lukraak klinkers in het rond gooide. Maar ja, zij was dan ook zijn vrouw.

Ik vluchtte de coupé uit en rende de straten van Amsterdam op. Daar leken de mensen nog harder te praten dan in de coupé. Ik ving een gesprek op. Dat was niet moeilijk op te vangen gezien het volume, maar je moet het toch maar doen. Twee mensen, ik vermoed yuppen, maar dat is een onderbuikgevoel, naderden de apotheose van hun koetjes en kalfjes praatje, en spraken af een meter of tien uit elkaar te gaan staan, zodat ze nog even het gespreksvolume konden opschroeven. Ik verzin dit niet. Ik was erbij. Ik hoorde het ze zeggen: “Loop jij dan even daar naar die hoek toe. Ja, lekker Ruud. Zo gaat-ie goed,” schreeuwde de yup met alles wat hij had. Ruud pakte toen een megafoon uit zijn broekzak en begon sirenegeluiden af te spelen. Toen werd het me te gortig en ben ik snel de sprinter naar Brabant ingestapt. Het moet wel leuk blijven.

Die Amsterdammers snappen dat zacht pratend volk uit de provincie niet. Fluisteraars, vinden ze ons. Altijd maar lispelen, mompelen en smiespelen. Dat kennen ze daar niet. Ze worden er achterdochtig van. Op de terugweg naar Brabant zat ik naast zo’n Amsterdammer in de trein. Hij ging voor het eerst naar Brabant, bij wijze van culturele verbreding, zei hij tegen me. Het was een poosje stil en toen fluisterde hij in mijn oor: “Kijk dan. Hoe hij daar zit. Met zijn malle petje. En zijn vouwfiets. En die vrouw ernaast. Afgrijselijk. Stel je eens voor dat die seks hebben. Ik word er kotsmisselijk van. Echt, kotsmisselijk.” Ik schudde mijn hoofd en zei: “Je megafoon staat nog aan.”

 

Man voor heel even

Mark opent zijn ogen en gooit de dekens van zich af. Zijn wekker is nooit afgegaan, maar toch pakt hij het ding op en smijt ‘m tegen de muur kapot. “Net als op teevee”, denkt Mark. Een recalcitrant gevoel nestelt zich in hem. Hij wil de boel eens flink opschudden vandaag. Tegen heilige huisjes schoppen. Zijn omgeving choqueren met grof taalgebruik en ongewassen poriën. Hij loopt naar de badkamer en spuugt op de vloer. Zijn tandenborstel breekt hij in tweeën. Het voelt goed. Het voelt bevrijdend.

Mark holt naar beneden, pakt een boterham, smeert er pindakaas op, legt ‘m op een bordje, pakt een glas, giet er melk in en smijt heel de reutemeteut door het raam. Hij loopt via de voordeur naar buiten en schopt de scherven op straat. “Misschien rijdt er een fietser lek”, denkt Mark. “Of beter: een brommer.” Mark lacht in zijn vuistje en snelt de straat in. Zonder kleren. Maar dat maakt Mark niets uit. Vandaag maakt niets hem uit.

Hij huppelt over straat en woelt zich los uit zijn voorgekauwde leventje. Hij begroet en beschimpt vrouwen. Swaffelt verkeersborden, pinautomaten, bankjes en zelfs heggetjes moeten het ontgelden. Hij plast tegen bomen, stampt bloemen plat in voortuinen, zwemt in de stadsfontein en gooit wc-papier op kinderen. Mark ontdoet zich van zijn dwangbuis en het voelt verrukkulluk.

Maar het is niet genoeg. Mark sommeert nu andere mannen om ook hun kleren uit te doen. Hij pakt hun hand vast en rent met ze door de stad. Samen vieren ze hun vrijheid. Ze dansen, springen, zingen en roepen leuzen als: “Wat is het fijn om man te zijn” en “Wij doen alles wat we willen want het is 2017”.

Mark heeft inmiddels vijftig naakte mannen om zich heen verzameld. Ze dragen woeste baarden, zijn breedgeschouderd, hebben lichaamshaar op plekken waar normaal geen lichaamshaar groeit. Mark kijkt ze één voor één aan en wijst dan naar een gebouw in de verte. De mannen begrijpen meteen wat hun leider bedoelt. Joelend en borstkloppend rennen ze de supermarkt in. Ze trekken vlees en bier uit de schappen en verbranden het groente en fruit. Mark klimt op één van de kassa’s en bekroont zichzelf tot Tarzan van de supermarkt. Als hij zijn manschappen opnieuw wilt aansturen, hoort hij in de verte iemand zijn naam roepen. Het geluid klinkt ijl, maar wordt steeds scherper en luider. Dan schrikt Mark wakker. Zijn moeder staat naast hem met een kopje verse muntthee en een boterham met hagelslag. “Mark, word eens wakker knul. Je moet een land besturen.” “Natuurlijk, mama. Natuurlijk,” mompelt Mark terwijl hij zijn kleren aantrekt.