Ze praten harder in Amsterdam

Ik ging vandaag naar Amsterdam. Met de trein. Tijdens mijn reis ernaartoe ontdekte ik iets. Hoe dichter je, geografisch gezien dan, bij Amsterdam komt, hoe harder de mensen praten. Ik kreeg het door ter hoogte van Utrecht. Het meisje naast me begon ineens heel hard te telefoneren. Ik schrok op uit mijn boek. Bleek dat meisje naast me helemaal niet te telefoneren. Het was een ander meisje, aan de andere kant van de coupé. Maar ze schreeuwde zo vreselijk hard door die telefoon. Ik dacht: ze praat met haar demente, maar vooral slechthorende oma. Hoe ze die zinnen door de telefoon smeet, de mensen in Culemborg konden haar horen. “Vast iemand die met haar demente, maar vooral slechthorende oma belt”, zeiden ze daar tegen elkaar. En het had best aandoenlijke trekjes, een kleindochter die nog de moeite neemt haar slechthorende oma te bellen. De meeste maken daar geen tijd voor. Zijn te druk met social media, enzo.  Maar wat bleek: ze belde niet met haar oma, maar met een vriendin. Dat was af te leiden uit de context van het gesprek. En natuurlijk, dat vriendinnetje zou slechthorend kunnen zijn. Die dingen gebeuren. Maar het leek me stug. Wie belt er nu met een slechthorende vriendin? Dat is het lot onnodig tarten. Je stuurt dan een handgeschreven brief. Of een tweetje. Dat wist zij ook.

De trein reed door richting Amsterdam. Het meisje met de telefoon had opgehangen, maar het geroezemoes in de coupé werd luider en luider. De één wilde boven de ander uitkomen en weer een ander boven de één. Een meneer met zwarte puntschoenen schreeuwde zo hard, dat zijn medeklinkers het volume van zijn klinkers niet konden bijbenen. Een klankenkakofonie waar geen touw aan vast te knopen was. Zijn vrouw knikte begripvol, die was het natuurlijk gewend dat haar man lukraak klinkers in het rond gooide. Maar ja, zij was dan ook zijn vrouw.

Ik vluchtte de coupé uit en rende de straten van Amsterdam op. Daar leken de mensen nog harder te praten dan in de coupé. Ik ving een gesprek op. Dat was niet moeilijk op te vangen gezien het volume, maar je moet het toch maar doen. Twee mensen, ik vermoed yuppen, maar dat is een onderbuikgevoel, naderden de apotheose van hun koetjes en kalfjes praatje, en spraken af een meter of tien uit elkaar te gaan staan, zodat ze nog even het gespreksvolume konden opschroeven. Ik verzin dit niet. Ik was erbij. Ik hoorde het ze zeggen: “Loop jij dan even daar naar die hoek toe. Ja, lekker Ruud. Zo gaat-ie goed,” schreeuwde de yup met alles wat hij had. Ruud pakte toen een megafoon uit zijn broekzak en begon sirenegeluiden af te spelen. Toen werd het me te gortig en ben ik snel de sprinter naar Brabant ingestapt. Het moet wel leuk blijven.

Die Amsterdammers snappen dat zacht pratend volk uit de provincie niet. Fluisteraars, vinden ze ons. Altijd maar lispelen, mompelen en smiespelen. Dat kennen ze daar niet. Ze worden er achterdochtig van. Op de terugweg naar Brabant zat ik naast zo’n Amsterdammer in de trein. Hij ging voor het eerst naar Brabant, bij wijze van culturele verbreding, zei hij tegen me. Het was een poosje stil en toen fluisterde hij in mijn oor: “Kijk dan. Hoe hij daar zit. Met zijn malle petje. En zijn vouwfiets. En die vrouw ernaast. Afgrijselijk. Stel je eens voor dat die seks hebben. Ik word er kotsmisselijk van. Echt, kotsmisselijk.” Ik schudde mijn hoofd en zei: “Je megafoon staat nog aan.”

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s